11

 

 

september 1944. Johanna was op die dag met haar vader Bert van Asseldonk in het veld. ‘Ik zag ze het eerste komen, van zes kanten. Ze waren wel met 24 man. Ik zei tegen vader: daar komen jagers aan. Vader begon hard weg te lopen, mij achter latend.’

Ook haar broer Gerrit en de Tsjechische onderduiker waren in het veld en gingen ervan door. De Tsjech werd in zijn voet geraakt, maar ontsnapte. Vader was direct de hooizolder opgeklommen om de wapens en de munitie te pakken en deze in de gierkelder te gooien. Hij hoorde echter de Duitsers dichterbij komen en sprong pardoes van de hooizolder op de grond, enige seconden voordat de soldaten het achterhuis binnen kwamen.

De familie is daarna door de Duitsers tegen de muur gezet en onder schot gehouden, terwijl hen gevraagd werd waar de onderduikers waren. Bert werd meegenomen om de schuilkelder te controleren en is behoorlijk geslagen met de kolf van een geweer. Zijn oor lag er half af. De kinderen en Martina dachten toen dat ze Bert nooit meer terug zouden zien. Gelukkig werd hij enkele uren later vrij gelaten.

 

Hij kreeg de oorlog niet uit zijn hoofd

Jaren later kwam een keer een buurjongen binnen met carnaval, verkleed als cowboy. Hij trok een pistooltje en riep: ‘Bert, handen omhoog.’ En Bert zat verstijfd, was helemaal van slag. Kreeg de oorlog niet uit zijn hoofd. ‘En als ons moeder ’s avonds van huis was en hij was alleen thuis, dan zette hij een stoel onder de deurklink, om deze te blokkeren,’ weet Johanna nog. Moeder Martina daarentegen was volgens haar dochter voor de duvel niet bang. Tijdens die laatste oorlogsdagen, toen bij het kanaal zo gevochten werd, fietste ze gewoon naar haar zuster, die aan de Kanaaldijk woonde. Dwars door de vuurlinies heen…